Elke vijftien jaar staat mijn sector op om aan te kondigen dat het nu echt gaat gebeuren. Dit is de derde keer dat ik het meemaak.

Ik ben ICT’er. Dat is geen bekentenis maar een positiebepaling: wat hierna komt, schrijf ik van binnenuit. Ik ken het type dat ik ga beschrijven, want ik ben het type dat ik ga beschrijven. De enthousiasteling die leuk zit te knutselen aan digitale systemen en gaandeweg gaat geloven dat zijn hobby de wereld gaat redden.

Het patroon is inmiddels zo voorspelbaar dat je er de klok op gelijk kunt zetten. Een nieuwe techniek verschijnt. Er wordt niet beloofd dat hij iets oplost, er wordt beloofd dat hij alles oplost. Kennisongelijkheid, armoede, eenzaamheid, uiteindelijk de wereldvrede zelf. Er wordt kapitaal opgehaald op die belofte. En vijftien jaar later staan we op precies dezelfde plek, alleen met minder eigen vermogen en meer abonnementen.

Ronde één: het internet zou de kennis eerlijk verdelen

Halverwege de jaren negentig was de retoriek werkelijk niet te harden. John Perry Barlow schreef in 1996 zijn Declaration of the Independence of Cyberspace — een tekst waarin regeringen “vermoeide reuzen van vlees en staal” werden genoemd en de nieuwe wereld “een beschaving van de geest” zou worden, zonder privilege of vooroordeel, zonder dat afkomst of positie nog iets zou uitmaken. Nicholas Negroponte voorspelde in Being Digital dat het onderscheid tussen arm en rijk zou verschuiven naar oud en jong, alsof ongelijkheid een generatiekwestie was die vanzelf zou uitsterven. Bill Gates schreef over “friction-free capitalism”.

De redenering was elegant: als kennis vrij stroomt, verdwijnt de informatieachterstand. Als de informatieachterstand verdwijnt, ontstaat een mondiaal gelijk speelveld. Op een gelijk speelveld kan iedereen gelijkwaardig bijdragen. En daaruit volgt dan, vanzelf, rechtvaardigheid en broederschap.

Dertig jaar later zijn er volgens de ITU-cijfers over 2025 nog altijd zo’n 2,2 miljard mensen die helemaal niet online zijn — ruwweg een kwart van de wereldbevolking — en de groei stagneert. Dat zijn niet de mensen die het internet even hebben afgezworen. Dat zijn overwegend mensen in lage- en middeninkomenslanden, precies de groep voor wie het gelijke speelveld bedoeld was.

En bij de driekwart die wél online is, is de kennis niet gelijk verdeeld geraakt. Ze is geconcentreerd. De toegang tot informatie loopt via een handvol poorten, en wie die poorten beheert, bepaalt wat je ziet. Dat is geen speelveld. Dat is een tolweg.

Ronde twee: sociale media zouden ons verbinden

Toen kwam de tweede belofte, en die was slimmer. Niet langer “informatie wil vrij zijn”, maar “we brengen mensen bij elkaar”. Verbinding als product. Wie kan daar nou tegen zijn.

Wat er in werkelijkheid gebeurde is iets waar te weinig bij wordt stilgestaan, en het is het scharnierpunt van dit hele verhaal: we hebben ons adresboek weggegeven. Ooit hield je zelf bij wie je kende. Een boekje, een bestandje, je eigen geheugen. Binnen tien jaar was dat volledig geoffload naar LinkedIn, Facebook en WhatsApp. Je sociale kaart — wie je kent, hoe goed, sinds wanneer, via wie — is nu het bezit van private ondernemingen. Je hele sociale groep wordt bemiddeld door een partij met een omzetdoelstelling.

Dat is niet abstract. In Myanmar concludeerde Amnesty International in het rapport The Social Atrocity dat Meta’s aanbevelingsalgoritmes actief hebben bijgedragen aan het geweld tegen de Rohingya — niet door nalatigheid alleen, maar omdat de systemen die aanzettende inhoud voorrang gáven, want die presteerde goed op betrokkenheid. Het optimaliseren op engagement is geen neutrale keuze. Woede is nu eenmaal betrokkener dan tevredenheid.

Uitkomst na twintig jaar verbinden: de wereld is niet vreedzamer, niet gelijker, en het vermogen is verder samengeklonterd bij een groep mensen die inmiddels openlijk aan staatsbestuur doet. De taart is niet groter geworden. De verdeling is alleen schever.

Ronde drie: AI

En nu staat de derde revolutie voor de deur. Met “AI” bedoelen de meeste mensen inmiddels: een computer die kan praten. Een taalmodel. En laat me daar nuchter over zijn, want het is mijn vak: dat is een statistische voorspelling van wat het volgende stukje tekst waarschijnlijk is. Een buitengewoon knap uitgevoerd trucje, op een schaal die niemand twintig jaar geleden voor mogelijk hield — maar de aard van het ding is dat.

Wat kost dat trucje? De grote cloudpartijen zetten voor 2026 samen ergens tussen de 600 en 800 miljard dollar aan kapitaaluitgaven weg, afhankelijk van wie je telt. Goldman Sachs rekent in Tracking Trillions met zo’n 7,6 biljoen dollar tussen 2026 en 2031 voor compute, datacenters en energie. Biljoen. Met een b.

Aan de energiekant projecteert het Internationaal Energieagentschap dat het wereldwijde stroomverbruik van datacenters tegen 2030 meer dan verdubbelt tot ongeveer 945 TWh — iets méér dan wat heel Japan vandaag verbruikt. Voor een land van 125 miljoen mensen zetten we een stroomvoorziening neer, en die gaat naar rekencapaciteit.

En de opbrengst? Daar wordt het ongemakkelijk. Een veelbesproken MIT-onderzoek stelde in 2025 dat 95 procent van de zakelijke AI-pilots geen meetbaar rendement oplevert. Tientallen miljarden aan bedrijfsinvesteringen, en in de overgrote meerderheid van de gevallen komt er aan de andere kant niets meetbaars uit.

Iedereen in de ICT met een uitgesproken mening zegt hetzelfde: dit staat in geen verhouding tot wat de techniek daadwerkelijk brengt.

Het mechanisme dat elke ronde hetzelfde is

Hier zit volgens mij de kern, en het is iets anders dan “bedrijven zijn hebberig”. Elke golf werkt volgens dezelfde ruil: je krijgt gemak, en je levert een vaardigheid in.

  • Je adresboek ging naar het platform. Nu weet je niet meer uit je hoofd wie je kent.
  • Je navigatie ging naar de kaartendienst. Nu weet je niet meer waar je bent.
  • Je geheugen voor feiten ging naar de zoekmachine. Nu weet je alleen nog waar het staat.
  • En nu staan formuleren, samenvatten en redeneren op de rol.

De belofte is telkens bevrijding. Het resultaat is telkens afhankelijkheid — en niet als bijwerking, maar als bedrijfsmodel. Een systeem dat zich onmisbaar maakt heeft geen klantenbinding meer nodig. Wij hebben afhankelijkheden geïntroduceerd die we nooit hadden gehad als we niet eerst zo massaal in de techniek hadden geïnvesteerd die ze veroorzaakt.

Waar mijn eigen betoog rammelt

Nu moet ik eerlijk zijn, anders is dit stuk precies de klaagzang die ik zelf niet kan uitstaan.

Ten eerste: ik sta hier niet buiten. Ik schrijf dit met een AI-agent die draait op een NUC in mijn eigen woonkamer. Ik gebruik taalmodellen dagelijks, in mijn bedrijf en in mijn eigen herstel. Ik bén die enthousiasteling uit de eerste alinea. Wie waarschuwt voor de hype terwijl hij er middenin zit, moet dat op zijn minst vermelden.

Ten tweede: dat “het is maar een trucje” is te makkelijk. Ik gebruik het graag, want het klinkt lekker nuchter. Maar ik kan niet scherp maken waar het trucje ophoudt en denken begint, en niemand anders kan dat ook. “Het voorspelt alleen het volgende woord” is een beschrijving van het mechanisme, geen weerlegging van het resultaat. Wie zo argumenteert moet ook kunnen zeggen wát het dan wél zou moeten doen om te tellen — en zodra ik dat probeer, merk ik dat ik geen sluitend criterium heb.

Ten derde, en dat is de vervelendste: mijn eigen bronnen zijn ook hype. Dat MIT-cijfer van 95 procent ging viraal juist omdát het zo lekker bekt, en er is stevige kritiek op de methode: een beperkte steekproef, een rekbare definitie van “rendement”, en een momentopname van pilots die per definitie nog niet af zijn. Ik greep dat getal aan omdat het mijn punt bevestigde. Dat is precies het gedrag dat ik het kamp aan de overkant verwijt. “Don’t believe the hype” geldt onverkort voor mijn eigen tegenhype.

En ten vierde: het internet is voor mij persoonlijk wel degelijk een bevrijding geweest. Ik heb er een bedrijf mee, een stem, contact met mensen die ik anders nooit had gesproken. De belofte van 1996 was niet gelogen. Ze was verkeerd geadresseerd. Er stond “voor iedereen” waar “voor wie toch al toegang had” bedoeld werd.

De vraag die je wél moet stellen

Dus nee, dit is geen oproep om de stekker eruit te trekken. Ik zou de eerste zijn die dat niet meent.

Het is een oproep om te stoppen met het beoordelen van technologie op haar belofte, en te beginnen met het beoordelen op haar eigendomsstructuur. Niet: wat lost dit op. Maar: wie wordt hier afhankelijker van wie?

Een techniek die je iets uit handen neemt is pas winst als je hem ook weer uit handen kunt geven.

Dat is geen filosofie, dat is een ontwerpeis. Draait het model op hardware die je zelf kunt aanwijzen, of in een datacenter waar je niet in mag? Kun je je data eruit halen, in een formaat dat elders werkt? Kun je morgen stoppen zonder dat je bedrijf stilvalt? Blijf je zelf kunnen wat het systeem voor je doet, of ben je het aan het verleren?

Dat is waarom ik in mijn eigen bedrijf koppig blijf inzetten op eigen hardware, eigen hosting en waar het kan lokale modellen. Niet uit nostalgie of technisch purisme, maar omdat het de enige manier is waarop een belofte van bevrijding er over vijftien jaar nog steeds een is.

Het internet zou ons gelijk maken. Sociale media zouden ons verbinden. AI gaat ons bevrijden. Twee keer weten we inmiddels hoe het afliep, en beide keren ging het mis op hetzelfde punt: niet de techniek deugde niet, maar de eigendom eronder.

Derde keer, andere afloop? Dat hangt niet af van de modellen. Dat hangt af van wie de stekker in handen heeft.